Daar stond ik dan. Drommen mensen. Opgejaagd door weet ik veel wat. Die regen. Ook dat. Zachte miezerregen. De lucht zat pottdicht. Een groot donkergrijs dichtgeschilderd vlak. Zo’n hemel wat geen enkele schilder ooit heeft geschilderd, althans, ik heb het nooit gezien. Ik wist niet waar ik kijken moest. Totdat ik haar zag. Mijn vrienden waren druk in de weer. Over de miezerregen. Over welke bus ze zouden nemen. Over welke pub ze wilden aandoen. Nu en dan werd ik aangestoten door voorbijgangers. Opzij geduwd haast. Ik merkte het wel maar het deerde me niet. Het leek zelfs of ik steeds dichter naar haar toe geduwd werd. Ik vond haar knap. Schatte haar begin dertig. Ze zat op de grond. Onder een plastic vuilniszak. Haar koppie stak er gebogen boven uit. Mijn hart zag haar. Iedereen liep voorbij. Alsof ze mijn aanblik had gevoeld, keek ze op. Ze keek naar mij. Haar ogen spraken ontreddering en liefde. Geschrokken keek ik even weg. Voelde me betrapt. Schaamte afschuw paniek God-weet-ik-wat ik voelde en dat allemaal tegelijk. Maar bovenal, dit: Ik voelde me eenzaam. Mijn vrienden hadden al besloten waar werd gegeten en waren door gelopen. Het viel me zwaar me los te maken van de plek waar ik stond. Ik stond als vastgenageld in een van de drukste straten in de hoofdstad van Schotland. Achter het gezelschap sjokte ik uiteindelijk maar wat aan met een bedrukt gemoed. Ver weg van hen. ‘Ik wil haar meenemen naar ons appartement!’ riep ik overtuigd naar een vriendin. ‘Wat?! En dan?! Maar dat kan echt niet!’ ‘Nou dan kan zij een warm bad nemen! En warm eten! Ze mag mijn kleren hebben!’ Riep ik uit. De nee’s, van kan niet, de anderen, gevaarlijk, lost niks op, verleden, onverstandig… Ik besloot iets tegen God te zeggen. Want het was nu aan hem/ haar om voor haar te zorgen. Ik moést dat aan hem overlaten. De hoop dat ik een verschil kon maken in haar leven was me ontnomen. Dus wendde ik me in mijn onmacht naar boven. Ik vertelde alles. Over mijn onmacht en de onverschilligheid van de mensen. Dat ik het niet begrijp. Alles niet! Of hij voor haar wil zorgen, dat haar leven ten goed keert, dat ik dat in zijn handen leg..
Dank u wel…
Ik ging vroeg naar bed terwijl de anderen een Schotse pub bezochten. De volgende dag besloot ik haar weer op te zoeken. Ze zat er, de lucht was geklaard en hoewel geen mens op straat thuishoort maakte mijn hart een sprongetje. Ze at een sandwich, gewikkeld in een papiertje. Ik probeerde dit te zien als een begin, dat mijn gebed voor haar was beginnen uitkomen. ‘How are you?’ vroeg ik haar terwijl ik door mijn knieën zakte om haar tien Engelse pond in haar hand te drukken (ik hoopte dat ze daar voor een nacht bij het slaaphuis zou slapen..). Het enige wat ze stamelde was: “ I’m sorry…I’m sorry..sorry…’ Nee, weet je wat, I am sorry. I am sorry voor de kilheid, de liefdeloosheid, de ellende die je in je leven ervaart! I am sorry voor de Godsamme onverschilligheid die dagelijks langs jou heen loopt! And I am sorry, dat ik niet meer voor je heb kunnen doen, dan een vluchtig contact. Wat ik meeneem van de weekendtrip dat ben jij. Je hebt een plekje in mijn hart. Ik zal je nooit vergeten.