Aanvankelijk schokte ik niet. Muisstilletjes en bewegingsloos. Mijn gezicht begroef ik achter mijn handen. Alsof ik mezelf niet wilde laten zien. Of wilde ik zelf niet zien. Ik liet alles niet toe.
Ik dacht dat het nu wel gedaan en achter de rug was. Haalde opgelucht adem. Eventjes maar. Want toen ik zag hoe je opklom, en ik jou stilletjes aanmoedigde ‘kom op, hou vol, vecht!’ en jij, alle hoop, gebed en strijd ten spijt, metersdiep naar beneden kukelde, die meedogenloze afgrond in, viel ik met je mee.
Op dat ene moment verloor ik mijn geloof.

Een handjevol keizerspinguïns door een storm een ravijn ingeblazen. Moeders met hun jongen tussen poten en huidplooi. Met maar één keuze: Overleven. Een moeder neemt de hartverscheurende beslissing haar jong achter te laten en klimt zich een uitweg naar boven. Mét jong schijnt een onmogelijke opgave. Er is geen houvast in de steile, spiegelgladde ijzige helling. Nog een wijfje met haar jong. Zij is vastbesloten en vecht zich tergend langzaam maar vastberaden -met haar snavel als pikhouweel- naar boven. Ware moed en liefde ontvouwen zich voor mijn ogen. Maar wat mijn netvlies ziet zijn alle andere moederpinguïns die het niet redden met hun jongen en het dappere, rillende kuiken, gespeend van zijn moeder en verlaten door een of andere God die hier niet lijkt te bestaan.
Zo woest en razendsnel als zij hier terecht zijn gekomen zo langzaam wacht hun dood.
Vanbinnen sterf ik ook een beetje.
Een aaneenschakeling van ellende en ontberingen volgen elkaar in hoog tempo op.
Dan een verdwaald jong in een bijtende sneeuwstorm, baby’s die na alle liefdevolle ouderzorg op onbegrijpelijke wijze massaal van het een op het andere moment verlaten worden met een letterlijke trap-na. Ouders wiens pasgeboren baby bruut gestolen wordt door jaloerse moederloze pinguïns (met weinig overlevingskans voor de baby), onderduiken bij elkaar voor deze ‘koude oorlog’, wanhoopsgevechten, paren die vruchteloos broeden op een ‘ei van sneeuw’…
Bij ieder moment voel ik dat ik verander.
Pinguïns doen me sterk aan mensen denken. Een kersverse mama die haar partner en ei verlaten moet omdat zij altwee maanden niet gegeten heeft laat zien dat zij het afscheid moeilijk vindt. Dan waggelt ze uiteindelijk met tegenzin de zee tegemoet. Alleen. Over een kille, desolate vlakte. Soms tot wel 200 kilometer. Met nog maar twee derde van haar lichaamsgewicht. Om na twee maanden pas weer terug te keren met een volle buik. Tegen die tijd heeft het mannetje de helft van zijn lichaamsgewicht verloren. En al die tijd in duisternis doorgebracht (winter op Antarctica kent geen zon).
Als de pinguïns massaal naar zee trekken vormen zij een slinger van duizenden achter elkaar. Een haast menselijk tafereel.
Maar een mens kan nooit onder zulke omstandigheden overleven.
Neem ons geklaag. Bijvoorbeeld over het weer. Het regent. Wij noemen dat ‘slecht weer’. Zelfs de weerman of -vrouw doet dit en dat vind ik zo mogelijk nog kwalijker. Slecht weer bestaat niet. Goed weer ook niet. Het regent. Of wat dan ook.
Stappen haastig in ons karretje, gut ja je kapsel is wat nat geworden, en gedragen ons als slachtoffer. Het régent! En we doen alsof we doodgaan.

Maar opmerkelijk genoeg gedijt de kolonie pinguïns, ondanks ‘het slechte weer’. En hoewel deze bizarre weersomstandigheden (een temperatuur van zestig graden onder nul, snijdende sneeuwstormen die dagen aanhouden, duisternis… ) het leven op Antarctica zwaar op de proef stelt is het de wreedheid van de dieren en de ‘Goddeloosheid’ die me het meest verstoort.
Het leven op Antarctica is een wurggreep.
Het is zoeken naar liefde en die is ver.
Toch hoeft deze groep overleveraars niet gered te worden. Hoewel, als ik cameravrouw was zou ik de weerloze dieren te hulp schieten! Maar dat is een ander verhaal. Het merendeel overleeft. De cirkel gaat elk jaar rond. Maar uitsterven is geen oplossing. Sterker nog: Rampzalig. Wat een paradox!
Leven wil leven en dat bewijzen deze keizers als geen ander. Zij dragen niet alleen de rauwheid van hun bestaan. Zij overwinnen.
Deze pinguïns geven ‘levenskunst’ een nieuwe definitie.

Ik herinner me dat ik als kind al gefascineerd was door de natuur. Mijn plakboeken zaten vol met dierenplaatjes en de boeken die ik las waren geen kinderboeken maar encyclopedieën. Op de een of andere manier kreeg ik beelden mee van geharpoeneerde walwissen, doodgeknuppelde zeehondjes en opgeblazen ijsschotsen met pinguïns en al erop. Een jaar of acht, negen was ik toen ik een werkstuk moest maken over een zelfgekozen thema. Deze gaf ik de titel ‘Doe mee, help Greenpeace op zee!’ vergezeld door niets aan de verbeelding overlatende tekeningen van die walvissen, harpoenen, knuppels, zeehonden, pinguïns en onderwaterbommen.
Ik wilde mee met de Rainbow Warrior, het actieschip van Greenpeace. Strijden voor het behoud van natuur en dier. Dat dit er nooit van is gekomen zal met mijn zeeziekte van doen hebben ;-).
Maar ik heb een pen. En een pen is een stem.
Ik kan schrijven over alles wat ik wil. Zichtbaar maken wat er speelt. In mezelf en in de wereld. Over wat moeilijk aan het licht wil komen, zich schuilhoudt in het duister. Over wat gekend en gehoord wil worden, over wat geweten moet worden. Dichten en rijmen, of grappen en grollen, mijn pen laten zwieren. Maar als ik mag kiezen, is mijn pen voor de dieren.
Voor het verlaten keizerskuiken. Als ik jouw ontberen -al was het maar voor even- kon overnemen zou ik me er aan overgeven.
Met ogen dichtgeknepen, als van het uien snijden. Mijn mond wijd open. Er komt geen geluid uit. Maar dan; geschrei, als van een kind dat zojuist op haar knietjes is gevallen, maar erger. Alsof ik het mezelf helemaal toelaat, mij laat vallen in mijn onmetelijke pijn. Opeens weer stilte om voldoende lucht binnen te zuigen. Mijn lichaam schudt en schokt. Als van een dier.