Nicole Erens

Geen flauw benul had ik waar de reis ons nu weer bracht. De auto draaide enkele zandpaadjes op. Zitten we wel goed? Ik zag een bordje staan. Iets met ‘Camp’ en nog iets.
Ik ben dol op natuur en ‘basic’ vakanties. Doe mij maar liefst een grasveldje, stromend beekje, huisje/camper/tent, boompjes en heel veel beestjes (behalve muggen en spinnen maar op een of andere manier zijn die niet bij mij weg te slaan). Maar ik hou niet van wild, zuigende modder en afzien! Geen raften, hoch- en tiefabseilen, wildwaterkanovaren en drieduizend meter de hoogte in hiken. En op een of andere manier deed dit bordje me daaraan denken.
‘Ehm. Toch geen basis trainingskamp mag ik hopen?’
‘Nee hoor, je gaat het vast heel leuk vinden!’ antwoordde mijn vriendin geheimzinnig.
Een stuk of zes kippen begroetten ons bij aankomst –lees: ik moest ze in veiligheid brengen, mijn vriendin instructies geven hoe ze achteruit kon rijden zonder de diertjes plat te walsen en me op de haan concentreren want hij had het duidelijk voor het zeggen; de hennen volgden hem slaafs. Ik begroette de dames, de haan en twee varkentjes die ik knorretje een en twee had genoemd –waanzinnig creatief, ik weet het. Hun haartjes voelden stekelig en verder alles behalve aaibaar. Vlijtig begon ik gras te plukken voor Knorretje een. ‘Die zijn leuk, ze zijn dol op het gras! En hoor die lieve smakgeluidjes, enig!’
Ik aaide hun zachte, natte snoet. Probeerde te vermijden dat hun haaktanden me per abuis zouden bijten.
Waar dieren zijn voel ik me altijd thuis. Helaas woon ik in een appartement. En ben ik sinds kort dierloos. Sindsdien hoop ik dat er een beestje zomaar mijn leven binnen komt wandelen. Want bewust kies ik er even niet voor. Ik ben nog steeds in diepe rouw.
‘Ik heb het nu al naar mijn zin, leuk, de boerderijdiertjes!’ en terwijl ik zorgeloos en argeloos verder het erf op loop blijf ik stokstijf staan. De bloemige, dartelende vrolijkheid van enkele ogenblikken geleden maakt abrupt plaats voor een mistroostige ellende.
Wat ik zie is een hok van enkele vierkante meter met spijlen, een laag van tien centimeter stront, daaronder een betonnen vloer met her en der rotte houten latten waarin spijkers zitten. En daarin een haan. Een eenzame, verwaarloosde, depressieve haan.
‘He, wat doe jij hier?’ Vraag ik met hoge stem. Terwijl ik naar zijn horrorhok loop neem ik hem in me op. Hij is bang voor me, loopt weg, gaat in de andere hoek voor zich uit staren. Mijn ogen gaan in de rondte door het hok. Ik heb nooit geweten dat water groen is. In een metalen bak nog wel (veel metalen zijn giftig voor vogels!). En waar is zijn voer?? Ook is er nergens een strohalm te bekennen.
En ik heb geen flauw benul van kippen en hanen maar een ding weet ik zeker en dat is dat dit zeer sociale, intelligente dieren zijn. Google leerde me direct dat kippen sneller leren dan honden.
Vliegensvlug draai ik naar mijn vriendin die dit verrassingsweekend voor ons geregeld had.
‘Moet je zien hier, die haan, wat erg hoe hij daar eenzaam zit opgesloten!’
Ze kijkt naar de haan en naar mij, blijft staan waar ze staat en zegt ‘Ja niet echt leuk nee.’
Ik voel spanning omdat ik weet dat ik het hier niet bij wil laten.
Die avond zitten we in onze trekkershut knus aan ons zelfgeknutseld avondmaal. Met regelmaat, haast automatisch kijk ik uit ons keukenraampje. Dan kan ik een glimp van de haan zien, in het hoekje bij het deurtje, alsof hij hoopt dat deze elk moment naar zijn vrijheid en de andere kippen opent. Als er een auto voorbijkomt of andere bezoekers doet hij hetzelfde. Maar niemand kijkt ook maar een ogenblik naar hem om.
‘En, hoe bevalt het?’ Ze lacht er bij. 
Een kriebel borrelt op. Ik weet dat ik niet volmondig ‘Leuk!’ kan roepen dus ik zwijg even terwijl ik haar aankijk. Ze kent me inmiddels en ik hoop dat ze voorbereidt is op wat komen gaat.
‘Ik vind het echt heel erg leuk hier, maar de situatie met de haan houdt me bezig.’
Ze zwijgt en ik zie dat ze zich irriteert. Ik laat het even rusten. Morgen weer een dag. Dan betalen we de verhuurder want ‘u kunt hier niet pinnen.’ Van die gelegenheid maak ik gebruik om het met hem over de haan te hebben. De haan die nog geen naam heeft. Want dat durf ik nog niet. Liever niet.
De volgende ochtend als ik mijn ogen open is het zes uur. Ik wil lekker uitslapen als ik opeens gekraai hoor. Ik spring uit bed om te zien wie er kraait. ‘Het is dé haan! De haan staat bij de deur en kraait!’
Niet dat een kraaiende haan bijzonder is, maar voor mij, voor deze haan, is het dat wel. Alleen een gezonde, dominante haan kraait. Mijn vriendin ligt diep verscholen onder de dekens.
‘Ik ga die man vandaag aanspreken! Over de haan!’
Na het ontbijt staat de man voor de deur. Er moet betaald maar het gaat intussen over heel andere zaken. Over zijn toko. En ik denk: ‘De haan.’ Zijn hobby diepgrotduiken of weet-ik-veel moet ook uitvoerig besproken. En ik denk: ‘De haan.’ Zijn fotografische kennis moet ook geëtaleerd en ik denk: ‘De haan!!’ Dan wordt er afgerekend en wil hij gaan en ik zeg: ‘De haan… wat is er met de haan? Waarom zit hij opgesloten, alleen?’
De man stamelt. Iets met gevechten, andere haan, verwondingen en ‘elkaar afmaken’. Ik ben niet onder de indruk. Als ik over overplaatsen naar een fijne plek met andere kippen begin wuift hij weg dat hij ‘al zoveel geprobeerd heeft’. Druipgrotten bestieren gaat hem makkelijk af (als ik hem moet geloven maar gelukkig ‘moet’ ik dat niet) maar zijn haan ergens anders onderbrengen kan hij niet. Vanbinnen voel ik boosheid en zijn slap geneuzel wordt overstemd door mijn gedachten: ‘Pas maar op want ik zit al in fase drie! Fase een is constateren. Fase twee is overdenken en zoeken naar geschikte oplossingen. Fase drie is de er-moet-iets-gebeuren-fase en als het moet laat ik hem vrij! Echter fase twee, de ‘geschikte-oplossingen-fase weerhoudt me. De andere haan loopt nog steeds op het erf met zijn harem chicks.
Als ik begin over hoe triest ik de omstandigheden vind van ‘haan’ val ik haast om van verbazing als hij zegt: ‘Je mag hem meenemen!’ Ik denk aan Pistolen Paultje. Ik zou de man verrot moeten slaan om deze dierenmishandeling! Hem knevelen en in dat Middeleeuwse hok duwen. Maar ik denk aan de haan en voel mijn liefde voor het leven. Ik wil haan.
‘Een ziel komt niet volledig tot uitdrukking en ontwikkeling als het niet intens van een dier heeft gehouden.’ Een boodschap die binnen kwam na het verlies van mijn lieve dierenmaatje.
Dus ik roep, als een kip zonder kop, haast dankbaar en ditmaal wel onder de indruk van zijn woorden:
‘Echt?! Maar ik woon in een appartement met balkon ik kan geen haan houden! Mijn hoofd zoekt razendsnel verbanden om andere mogelijkheden te zien. ‘Ja, jij hebt een tuin!’ Roep ik naar mijn vriendin die weer wijselijk zwijgt. Ik denk hardop. ‘…Maar dat gaat ook niet. Veel steen. Hé maar we gaan hem toch op de schop gooien! Diervriendelijker maken!’ Ik sta alleen in mijn overenthousiaste relaas. De man gaat weg. Ik weet het zeker.