Videofragment van de bevrijding van ‘haan’

Cocos. Oorspronkelijk Cocoș, Roemeens voor ‘haan’. Op zijn Swahilies is het jogoo, ook leuk maar deze is een echte Cocos. Een exotische verrassing met zijn verenpracht, chill als Herman George van Loenhout. Een swag haantje.

Maar een haantje is het allerminst. Hij is fors. Met dikke poten, alleen zijn kammetje is klein. Haan pikt bescheiden en schoorvoetend op ons erfje in de tuin. ‘Cocos kom eens kerel! Effe op de foto!’ De idyllische rust van nu was tijdens ons verrassingsweekendje wel anders. De hele dag stond in het teken van haan. Nou ja de vraag was namelijk: ‘Hoe gaan we hem vangen?!’ Ik zag er tegen op. Waren hanen agressief? Was deze agressief? Territoriaal? ‘Kijk die klauwen!’ riep ik naar mijn vriendin. ‘…en die lange nagel! Lijkt wel een mes!’ Ik had geen doos, geen voer, geen deken en -heel belangrijk- ik had geen dikke handschoenen. ‘Ik ga hem écht niet pakken zonder!’ riep ik naar mijn lieve vriendin.
Ze had ‘ja’ gezegd’ ‘Ja’ toen ik me omdraaide nadat de man was weggegaan en ik vastberaden zei dat ik hem mee wilde nemen. Ze antwoordde: ‘Is goed.’ Mijn weekend was ‘helemaal super’, ik was de vrolijkheid zelve. Niks kon me deren, dat het regende niet (ik ging lekker in de regen wandelen) dat ik een snee in mijn kleine linkerteen had niet (lekker, wandelen) en elke keer als ik langs zijn horrorhok wandelde zei ik  ‘Jij weet nog niet wat jou te wachten staat hé lieve kerel maar ik wel!’ Wij hadden haan!! Haan mocht bij ons!! Nou, tijdelijk. We zouden een onderkomen voor hem zoeken. Liefst een boerderij met chikkies. Een haan moet chikkies. En scharrelen, zonnebadjes, zandbadjes, veiligheid en heel veel liefde. Ik had inmiddels al een beetje ‘rondgegegoogled’.

‘We betreden de arena!’ Terwijl ik het horrorhok van haan binnenliep voelde ik enige angst voor wat komen ging. We hadden die dag op een vlooienmarkt voor twee euro een paar dikke handschoenen kunnen bemachtigen. Opluchting bij mij alom!  ‘Echt leer hoor’ zei de dame toen ik vroeg wat ze moesten kosten. Echt leer. Leuk hoor. Altijd al echt leren handschoenen willen hebben. Ik twijfelde even of ik haar zou zeggen hoe zij het zou vinden als haar vel levend over haar flaporen zou worden getrokken. Maar eerst een paar weekjes in een stalen kooi in je eigen shit zitten toekijken hoe je soortgenoten worden gevild. Ik zweeg en kocht de goddamndingen. ‘Ze zijn al gekocht ‘ probeerde ik mijn aankoop te vergoeilijken.
Nu nog een ‘mandje’. Zoals gezegd, het dier is groot. ‘Dit?’ wees mijn vriendin. ‘Nee dat is écht te klein! T’is een grote haan. ‘Deze?’ Ook niet. Mandjes, korfjes, kratten, dozen van alles passeerde ons maar niets zat er bij. We waren moe en net toen we naar de auto wilden teruglopen riep m’n vriendin: ‘Deze is goed!’ ‘Perfect!” riep ik terug. De ronde Ikea-korf van vijftig cent werd zijn transportmiddel. 
We gingen zijn arena in. Met de korf, de handschoenen en inmiddels een visnet van de man om te lenen. “Vangen jullie hem zo of willen jullie een net? ‘Net!’ Echter de mazen zijn te groot. Hij kan verstrikt raken’. waarschuwde ik. Maar wat moesten we? Twee wildvreemde mensen schoorvoetend in zijn hok (ik heb alles gefilmd en -achteraf- tranen gelachen). Hij schrok en in blinde paniek bonkte hij met een klap tegen de tralies in een poging te vluchten. Snel achter me langs, gooide ik het net over hem toen hij in de hoek zat. Raak, maar hij in paniek, ik in een poging het net -met hem er in- op te tillen, bleek hij vast te zitten in de mazen. Paniek bij ons alle drie, hoewel mijn handelen rustig en kalm bleef. Haan met net op de grond hield zich voor dood. Al snel volgde ronde twee, het net had ik weggelegd, we gingen meteen voor de Ikea-korf. Hup, korf over hem heen, deksel eronder, het ding -met haan er in- 180 graden draaien. Op-de-kop. Ik vond hem zielig maar het woog niet op tegen het nieuwe leven wat hem te wachten stond -en het zieke leven dat hij leefde en als een wonder achter zich kon laten.
De rit verliep boven onze verwachting zeer goed. ‘Je weet het, hé’ zei ik tegen haan, naast me in de auto. Hij leek zich helemaal te schikken in zijn lotsbestemming en zat er kalmpjes bij. Na een dik uur kwamen we thuis. De buurvrouw had ons tafereel al gespot: Haan uitladen uit onze auto, hup via de voordeur naar binnen. ‘We hebben hem gered!’ riep ik. ‘Leuk beest’ vind ze hem.
Het is warm, we hebben net heerlijk buiten gegeten en kijken naar haan. ‘Wat een schatje’. “Ja echt een lieverd’. ‘Wat is hij mooi’. En stoer!’ ‘Een scheetje’. ‘Kijk zijn lieve oogjes’. ‘Hij is zo lief’. ‘Ja, dat is hij…’ 
Dat hij een zandbad in het bloemenperkje neemt en de pas geplante bloembollen er uitmikt nemen we voor lief. Stiekem hou ik van stoute beesten. Ik hou alleen niet van stoute mensen.