Foto: Graffiti in het Waldeckpark, Maastricht

‘Wat als..? Wat als…’ was een vraag die me bezighield. Want ja, wat als Cocos, ons inmiddels –bijna– tamme haantje eens niet kiplekker was? Wat als hij eens door een ongelukkige omstandigheid naar de dierenarts moest? ‘Moet hij wel naar een dierenarts?! ’riep ik naar mijn vriendin, alsof het kwaad al geschied was. Óf moet hij naar een veearts? Hoe heet dat ook alweer…pluimveearts! Of nee, zo’n arts komt op huisbezoek, is het niet?’ Riep ik, haast romantiserend.
Cocos is een superbraaf haantje. Na het visnet- en IKEA-korfincident hebben we zijn vertrouwen weer gewonnen. Als ik op het drempeltje van de keuken zit, komt hij naar me toegesjokt. Voor gezelschap of hij komt om wat lekkers vragen (wat hij altijd krijgt. Tip: niet pedagogisch verantwoord voor kinderen).
Och wat zou ik graag zijn pluimstaart aaien…zijn hanenkam of de piepkleine ongetwijfeld zachte haartjes tussen zijn lelletjes.. ‘Zou hij ooit uit je hand eten?’ vraagt mijn vriendin. ‘Zeker weten!’ is mijn stellige antwoord. ‘Cocos, kom kerel, lekker op mijn schootje!’ Ik klop demonstratief op mijn benen. Cocos maakt zich uit de voeten. Zijn kippendijen waggelen heen en weer. Ik kijk tegen zijn donzige achterwerk aan en schiet in de lach. Hier is hij duidelijk niet aan toe.
Toen brak de ochtend aan. De ochtend dat zijn hanengekraai niet meer klonk. Mijn wekker ging. En Cocos had nog niet gekraaid. Dat was op zijn minst merkwaardig. Ook de dag erna, de dag daarna en de dag daarna bleef het stil.
Ik observeerde hem: Komt uit zijn nachthok maar keert snel weer terug om er te slapen (Je bent net wakker, Cocos!). Maakt een lusteloze indruk. Eet minder. Laat zich overdag nauwelijks zien en slaapt in zijn hok. Ik zuchtte. En moest het onder ogen zien. 
Ik haalde diep adem, wendde me tot mijn vriendin. Het lood zat in mijn schoenen en ik droeg nota bene pantoffels: ‘Er is iets met Cocos. Ik weet het zeker. Hij moet nagekeken door een dierenarts!’
Drie dierenartsen belde ik. ‘Ja nee we doen geen vogels.’ Next: ‘Ja we doen pluimvee maar alleen de commerciële kippenhouderij.’ De derde, in Geldrop. Ik sprak tegen de assistente: ‘Ja we hebben hier een haantje. Nou ja, haan. Hij kraait niet meer en is lusteloos. Hij is superlief hoor en nooit agressief. Moeten we naar u komen of komen jullie op huisbezoek? …Oh we moeten naar jullie komen…Ok…Ja ik moet er wel een ding bij vermelden.. Kijk eh, hij is heel lief en zo maar eh…. Cocos is niet handtam…’
Het grote woord was er uit. Cocos is niet HANDTAM. Schoorvoetend deelde ik het maar mee. Dat hij niet te pakken is met blote handen, zeg maar. Wat hij dan doet? Wegrennen! Zo hard hij kan. Dit was de reden waarom ik zo tegen het dierenartsbezoek op zag. Hoe moet dat in hemelsnaam met hem?! Hij zal zich echt niet zomaar gewonnen geven en zich laten onderzoeken! Zal hij de DA een optater geven? Ik smaalde een beetje bij die gedachte.
Maar ook ik moest eraan geloven. Zat te zenuwpezen. Moest een kopje kamillethee. Even rustig worden.
Toen moest het gedaan.
Hup de IKEA-korf afgestoft voor alweer een hanenstransport. Ik had -hoogst zeldzaam- geen geduld en geen zin in gedoe. ’Cocos kom hup in de mand!’ Alsof hij daar ook maar enige boodschap aan had. Snel zette ik de mand over hem heen nadat ik hem in zijn ren had gelokt en weer hop 180 graden draaien met haan erin, deksel er op en de auto in.

Op naar Geldrop. Wat anderhalf uur duurde in plaats van een uur. Ik had per ongeluk ‘vermijd snelwegen’ ingesteld…