Deemoedig stap ik met korf-en-Cocos de dierenartspraktijk binnen. ‘Ah de haan zie ik, u had een afspraak.’ Ik hoefde niets te zeggen. Een haan, ja dat valt niet over het hoofd te zien. Een gestreste haan. Wilde niet gaan liggen in de auto. Daarom viel hij met regelmaat om bij elk bochtje of hobbel. Niet om aan te zien. ‘’JA je wilt niet gaan liggen en je wil ook niet op mijn schoot!’ riep ik vertwijfeld naar ‘m. ‘Wat moet ik dan?’

Er is ook een hondje in de wachtkamer. Drie keer zo klein als Cocos. Cocos houdt hem angstvallig in de gaten. Even lijkt het of het angstzweet hem uitbreekt. Cocos is nerveus. Hij voelt zich als nooit tevoren een prooidier en hij kan geen kant op. Ik dacht aan wat nog komen ging.
En Cocos is zijn naam?’ De lieftallige assistente vraagt me het te spellen. Ik zeg Cocos, van cocosnoot maar dan zonder de noot. Ze lacht. Hoe oud hij is vraagt ze. Geen idee. Oud denk ik. Kijk maar naar zijn sporen.
De dierenarts stapt binnen. Razendsnel neem ik hem in me op. Oude man. Niet vriendelijk, wel neutraal. Vraagt of we binnenkomen. Nu gaat het gebeuren.

De deksel gaat van de IKEA-korf en ik ben bang dat Cocos er uit springt. Voordat dat kan gebeuren heeft de dierenarts hem al gegrepen. Cocos strekt zijn nek en hij kakelt luidkeels alsof zijn kop eraf gaat. Zijn gekortwiekte vleugels fladderen ongecontroleerd. Supersterke poten worden klauwen die fel van zich af duwen. Eenmaal op de behandeltafel help ik de arts. ‘Ik fixeer zijn vleugels wel!’ pak van boven beide vleugels en houdt ze bij elkaar. Zo doe je dat bij vogels. Ik kijk naar Cocos. Met wijdopen snavel gaat zijn hart en ademhaling als een dolle tekeer. Terwijl ik hem geruststel onderzoekt de arts hem. Kijkt diep in zijn snavel. Onder de vleugels, veren, geen luis of parasiet te betrappen.
Dan haalt hij de stethoscoop van zijn oren en weet het al. Cocos heeft een longontsteking. Is het ernstig?’ stamel ik aangedaan. ‘Dat ligt er aan.’ ‘Waar ligt dat aan?’ De arts zwijgt. Meneer haan krijgt antibiotica mee voor 8 dagen.
Terwijl ik hem vasthoud bedenk ik me dat dit de eerste keer is dat ik hem aanraak. Zijn veren voelen sterk en zacht. Ik voel zijn borstbeen, wat ik niet zou mogen voelen – en als ik hem moet optillen voor een injectie zakt hij door zijn poten en voel ik pas hoe zwaar dit toch vermagerde haantje is.
Eenmaal huiswaarts is hij alert op auto’s die ons inhalen. Elke auto kijkt hij na. Ik zie hem weer nerveus worden. Hoe zal het voor hem zijn, opgejaagd worden door mede-dino’s? Door de ene naar de andere dino worden ingehaald, de een een lompe t-rex, de ander een sluwe razendsnelle velociraptor die allemaal een hapje dino-haan lusten. Het is een oneerlijke race. Maar onze Cocos is
een overwinnaar.
Als we eindelijk thuis zijn gaat Cocos direct vanuit de auto-voordeur-hal-woonkamer naar de keuken.
Daar zet ik hem neer. In zijn IKEA-korf met een warmwaterkruik.
Ik kijk naar zijn guitige pientere koppie dat nieuwsgierig boven de mand uitpiept. Naar de zachte blik in zijn ogen. Ik denk dat hij heeft me vergeven.

Buiten regent het. Het is koud. Ik kijk naar Cocos en krijg datzelfde gevoel als die keer dat ik besloot hem mee te nemen. Ik besluit hem niet naar buiten te sturen. Onze kerel heeft longontsteking! Dus blijft hij binnen! Ik probeer het zo laconiek mogelijk aan mijn vriendin mee te delen. ‘Schat, Cocos kan niet naar buiten. Hij moet warm blijven. Dus maak ik een plekje voor hem. In de keuken.’
Ik ga aan de slag met rubber matten, bouwplastic en ducktape. Binnen een uur is twee vierkante meter van de keuken kippenhok met stro en al en het wasrek doet dienst als afrastering.
Cocos staat er parmantig in. Direct begint hij alle stress van zich af te scharrelen. Ik kijk van aan afstandje naar het tafereel.
De volgende ochtend word ik gewekt door hanengekraai vanuit de keuken. Het is onze kerel, Cocos…